Nieuws

Vrouwelijke hardlopers met laag gewicht hebben meer risico op blessures

Vrouwen die regelmatig hardlopen hebben er baat bij hun gewicht goed in de gaten te houden. Onderzoekers concluderen dat vrouwelijke hardlopers met een laag gewicht meer risico hebben op blessures.

Lage Body Mass Index

De onderzoekers van de universiteit van Ohio ontdekten dat vrouwen met een Body Mass Index (BMI) lager dan 19 meer kans hebben op een stressfractuur, een incomplete botbreuk. Daarbij zouden ze er langer over doen om te herstellen na een stressfractuur dan mensen met een gezond gewicht.

Aangehouden wordt dat een BMI tussen de 18,5 en 25 gezond is. Lager wordt gesproken van ondergewicht, hoger van overgewicht. Volgens de onderzoekers is het BMI van de gemiddelde vrouw nu 26 en is er dus sprake van overgewicht. Professionele vrouwelijke atleten zouden een BMI van 20 tot 24 aanhouden.

Blessures

De onderzoekers onderzochten drie jaar lang tientallen vrouwelijke atleten en hielden hun blessures bij aan de hand van een wetenschappelijk ontworpen meetsysteem. De blessures werden ingedeeld in een schaal van 1 tot 5, waarbij 1 het minst ernstig was en 5 het ergst. De blessures werden gemeten met röntgenfoto’s, scans van botten en MRI-scans.

“Het is essentieel dat vrouwen hun BMI weten en kunnen werken aan een gezond niveau”, aldus dokter Timothy Millar die de studie leidde. Zijn bevindingen zijn gepubliceerd in Current Orthopaedic Practice.

(Bron: NU.nl)

‘Denkende’ huidcellen op een chip

Nieuwe techniek voor het afluisteren en onderzoeken van neuronen.

De activiteit van huidcellen die zijn veranderd in hersencellen kan op speciale chips nauwkeurig worden afgelezen. Onderzoekers van het Radboudumc ontwikkelden een sterk verbeterde techniek, die door het Journal of Visualized Experiments is gefilmd en online is gezet, zodat andere neurowetenschappers er gebruik van kunnen maken.

Iedereen dacht dat het onmogelijk was, maar de Japanner Shinya Yamanaka toonde aan dat het wel degelijk kan: van een niercel in het lab een hartcel maken. Of een huidcel veranderen in een hersencel. Voor de ontwikkeling van deze iPSC (induced Pluripotent Stem Cell) techniek kreeg Yamanaka in 2012 de Nobelprijs voor de Geneeskunde.

Persoonlijk neuronennetwerk

De IPSC techniek is sindsdien verder ontwikkeld en op diverse manieren toegepast. De ‘neuronen op een chip’ is daar een mooi voorbeeld van. Neurobioloog Nael Nadif Kasri van het Radboudumc: “Van een patiënt met een hersenaandoening kun je bijvoorbeeld wat huidcellen nemen. Die huidcellen verander je in stamcellen en van die stamcellen maak je vervolgens neuronen. Plaats je die neuronen ook nog op een chip, dan kun je de activiteit aflezen van een klein, maar persoonlijk patiënten- neuronennetwerkje.”

Zo’n toepassing is razend interessant, omdat je daarmee heel goed de specifieke problemen in neuronen kunt onderzoeken van die individuele patiënt. Niet alleen van een enkel neuron, maar juist ook van de samenwerkende neuronen in een netwerk. Daarnaast biedt zo’n ‘neuronen op een chip’-techniek, ook de mogelijkheid om de werking van (nieuwe) medicijnen te onderzoeken

Verbetering

Toch zaten er nog wat haken en ogen aan de techniek. Kasri: “Het proces van huidcel naar stamcel verliep nog vrij traag. Bovendien zagen we dat het lang niet bij alle cellen lukt, dat er veel verschillende typen hersencellen ontstaan en ze vaak ook nog onvoldoende uitgroeien, waardoor ze ook niet optimaal functioneren. Kortom, er viel nog wel wat te verbeteren.”

Dat is precies wat neurowetenschappers Monica Frega en Bas van Gestel onder leiding van Nael Nadif Kasri en Kees Albers van de afdeling Genetica hebben gedaan. Ze ontwikkelden een nieuw protocol waarbij vrijwel alle huidcellen heel snel – in drie weken – veranderen in goed ontwikkelde neuronen van hetzelfde type, waardoor je precies weet met welke neuronen je te maken hebt. Bovendien groeperen de neuronen zich netjes op een chip, op een micro-electrode array, die in een vloeistof ‘drijft’ die de cellen in leven houdt.

Online

“Onze aanpassingen van het protocol maken dat we nu heel efficiënt een neuronennetwerk kunnen produceren”, zegt Kasri, “waarvan de elektrofysiologische kenmerken via die chip minutieus zijn te onderzoeken. Het protocol is door het Journal of Visualized Experiments (JoVE) helemaal gefilmd en met begeleidende tekst online gezet, zodat iedereen het kan gaan gebruiken.”

Bron: RadboudUMC

Slecht cholesterol draagt mogelijk bij aan artrose

Te veel ‘slecht’ cholesterol blijkt van invloed te zijn op de ernst van artrose. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Wouter de Munter van het Radboudumc.

Artrose is een reumatische aandoening. Het kraakbeen in de gewrichten wordt dunner en zachter en dat zorgt voor pijn en stijfheid. Eerst werd gedacht dat slijtage de oorzaak is. Het wordt steeds duidelijker dat ontstekingsprocessen bijdragen aan de ernst van artrose. Ook hoge cholesterolwaardes zouden meespelen en daarom onderzocht De Munter de rol van cholesterol bij artrose in muizen.

LDL-cholesterol oftewel het ‘slechte’ cholesterol veroorzaakt, na verandering door een reactie met zuurstof (oxidatie), beschadigingen aan de bloedvatwand. Hierdoor ontstaan hart- en vaatziekten. In de gewrichten kan LDL-cholesterol op een vergelijkbare manier tot schade leiden. De Munter injecteerde LDL of geoxideerd LDL in de gewrichten van muizen. Voornamelijk geoxideerd LDL bleek te zorgen voor verschijnselen van artrose, en niet LDL.

Extra botgroei

De promovendus bekeek muizen die een cholesterolrijk dieet kregen en muizen die van nature hoge cholesterolwaardes hebben. Beide muizen ontwikkelden extra botvorming in het door artrose aangedane gewricht, wat leidt tot pijn en functiebeperking van het gewricht. Bepaalde afweercellen, macrofagen, bleken verantwoordelijk voor de extra aangroei van bot. Andere cellen lijken onder invloed van geoxideerd LDL ontsteking en kraakbeenschade te veroorzaken.

Van muis naar mens

Artrose is niet te genezen. Dit onderzoek biedt aangrijpingspunten voor therapieën. “We hebben sterke aanwijzingen dat het in de mens op eenzelfde manier werkt, omdat er in mensen een relatie lijkt te bestaan tussen artrose en hoge cholesterolwaardes.” Vervolgonderzoek richt zich op de manier waarop macrofagen of andere cellen geoxideerd LDL opnemen. “Als we precies weten welke receptoren de cellen daarvoor gebruiken, kunnen we misschien lokaal de opname van geoxideerd LDL remmen. Daarmee beperk je schade in het gewricht.”

Wouter de Munter promoveert op 12 januari 2017 op zijn onderzoek naar cholesterol en artrose in muizen.

Bron: Gezondheidsnet

Zorginstituut adviseert geleidelijke instroom effectieve fysiotherapie in basispakket

Fysio- en oefentherapeutische zorg die van goede kwaliteit is en die werkt, kan volgens het Zorginstituut in de nieuwe situatie onderdeel zijn van het basispakket.

Ook fysio- en oefentherapeutische behandelingen kunnen op termijn per aandoening/functieprobleem opgenomen worden in het basispakket. Voordat dat mogelijk is, moet er wel aan twee voorwaarden zijn voldaan. Eerst moeten zorgaanbieders en patiëntenorganisaties gezamenlijk per functieprobleem bepalen wat goede fysio- en oefentherapeutische zorg is. Daarna moet het Zorginstituut beoordelen of deze zorg effectief is en voldoet aan de andere criteria voor toelating tot het basispakket. Dat adviseert het Zorginstituut in het rapport Systeemadvies fysio- en oefentherapie. Een nieuwe balans tussen de toegang tot en de betaalbaarheid van goede zorg.

Verzoek minister

Minister Schippers van VWS heeft het Zorginstituut gevraagd te onderzoeken of fysio- en oefentherapie op een andere manier in het basispakket opgenomen kunnen worden dan op de beperkte manier waarop dat nu het geval is. Om te bepalen of dit mogelijk is, adviseert het Zorginstituut om een ‘overgangstraject’ te starten en te evalueren.

Overgangstraject: goede fysio- en oefentherapie beschrijven en toetsen aan pakketcriteria

Fysio- en oefentherapeutische zorg die van goede kwaliteit is en die werkt, kan volgens het Zorginstituut in de nieuwe situatie onderdeel zijn van het basispakket. Daarom adviseert het Zorginstituut dat zorgaanbieders en patiëntenorganisaties tijdens het overgangstraject vanuit het perspectief van de patiënt per functieprobleem in kwaliteitsstandaarden beschrijven en onderbouwen wat goede fysio- en oefentherapeutische zorg is. Daarnaast moeten zij informatiestandaarden en meetinstrumenten voor de kwaliteit van zorg ontwikkelen en afspraken maken over de implementatie en borging daarvan.

Om zorgaanbieders en patiëntenorganisaties in staat te stellen deze rol in het overgangstraject te kunnen vervullen, adviseert het Zorginstituut ook om:

  • met de betrokken partijen na te gaan of er aanvullende maatregelen nodig zijn;
  • onderzoek naar de (kosten)effectiviteit van fysio- en oefentherapeutische behandelingen te prioriteren binnen bestaande onderzoeksprogramma’s of hiervoor extra middelen beschikbaar te stellen.

Wanneer een kwaliteitsstandaard gereed is, kan het Zorginstituut vervolgens toetsen of de behandeling in het basispakket kan worden opgenomen. Deze toetsing gebeurt aan de hand van de vier ‘pakketcriteria’ van het Zorginstituut: noodzakelijkheid, effectiviteit, kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid. Bij een positief oordeel kan het Zorginstituut aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport adviseren om de in de kwaliteitsstandaard beschreven goede zorg in het basispakket op te nemen. Op deze manier kunnen steeds meer effectieve fysio- en oefentherapische behandelingen deel gaan uitmaken van het basispakket.

Een deel van de huidige knelpunten vloeit (mede) voort uit de huidige bekostiging per zitting van fysio- en oefentherapie. Dat kan leiden tot een verkeerde prikkel: hoe meer zittingen worden gegeven en gedeclareerd, hoe groter de omzet van de fysio- of oefentherapeut is. Daarom adviseert het Zorginstituut als laatste onderdeel van het overgangstraject om de Nederlandse Zorgautoriteit te vragen samen met de zorgaanbieders, patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars te onderzoeken welke andere bekostigingsmogelijkheden passend en haalbaar zijn, en die in de praktijk te testen.

Tijdens het overgangstraject zal het Zorginstituut ook een evaluatieonderzoek uitvoeren. Dit onderzoek moet in beeld brengen wat de gevolgen zijn van de instroom van fysio- en oefentherapie in het basispakket voor het gebruik en de kosten.

Vervolgadvies van het Zorginstituut

Op basis van de uitkomsten van het evaluatie-onderzoek, de resultaten van de praktijktest met een andere wijze van bekostiging en een nieuwe budgetimpactanalyse brengt het Zorginstituut een vervolgadvies uit. Hierin geeft het Zorginstituut aan of de overstap naar een open omschrijving van de te verzekeren prestatie fysio- en oefentherapie (het toekomstscenario) kan worden gezet.

De termijn waarop dit vervolgadvies verschijnt, is afhankelijk de snelheid waarmee de kwaliteitstandaarden tot stand komen en mate waarin de (kosten)effectiviteit van de in die standaarden beschreven goede zorg is aangetoond.

Huidige aanspraak leidt tot knelpunten

Fysio- en oefentherapie worden op dit moment alleen uit het basispakket vergoed voor een beperkt aantal chronische aandoeningen. Daarbij geldt voor volwassenen dat zij de eerste 20 behandelingen zelf moeten betalen. Deze beperkingen leiden in de praktijk tot een aantal knelpunten, bijvoorbeeld uitwijken naar duurdere vormen van zorg (onder meer operaties en ziekenhuisopnamen) en uitstellen of zelfs afzien van zorg. Daarom heeft minister Schippers van VWS aan het Zorginstituut gevraagd om te onderzoeken of fysio- en oefentherapie op een andere manier dan nu het geval is in het basispakket opgenomen kunnen worden.

Bron: FysioForum

Intensieve behandeling reuma verlaagt ziekteverzuim

Patiënten met reuma hebben meer ziekteverzuim en zijn zeven keer vaker arbeidsongeschikt dan ‘normale’ medewerkers. Intensief behandelen van reuma met biologicals (dure biotechnologische medicijnen) of met ‘ouderwetse medicijnen’ zorgt ervoor dat het ziekteverzuim daalt en patiënten productiever zijn op het werk. Dit concludeert gezondheidswetenschapper en epidemioloog Marieke ter Wee op basis van eigen onderzoek en bestaande literatuur. Ter Wee voerde het COBRA-light onderzoek (COmbinatie Behandeling Reumatoïde Artritis) uit bij de afdeling reumatologie van VUmc. Ter Wee promoveert 19 december bij VUmc.

In het COBRA-light onderzoek werden twee behandelstrategieën vergeleken:

  • 60 mg prednison per dag, 7.5 mg methotrexaat per week en 2 gr sulfasalazine per dag (“COBRA”)
  • Een schema met een lagere dosis prednison (30 mg) per dag en 25 mg methotrexaat per week (“COBRA-light”)

Beide behandelingen verlagen de ziekte activiteit drastisch, verbeteren het dagelijks functioneren en  beschermen tegen bot- en kraakbeenschade. Ook zorgen ze ervoor dat het aantal patiënten met ziekteverzuim met bijna 20% daalt.

Problemen eerder aanpakken

Opvallend is dat het ziekteverzuim niet naar ‘normaal’ gaat, maar naar het niveau van een jaar voor het starten met deze behandeling. En dit verzuim ligt echter nog altijd hoger dan bij de ‘normale’ bevolking.   Het aanpakken van de problemen rond arbeidsdeelname van reumapatiënten is een complexe zaak waarbij meer elementen dan alleen een goede behandeling een rol spelen. De problemen op het gebied van werk beginnen snel en zijn al aanwezig bij het begin van de ziekte. Dat betekent dat problemen rondom het werk in ieder geval direct bij de diagnose of begin moeten worden aangepakt, veel eerder dan nu gebruikelijk.

“Het inzicht dat vroegtijdig behandelen bij reuma niet alleen effect heeft op de ziekte maar ook op de arbeidsproductiviteit, is vernieuwend en maatschappelijk zeer relevant,”  volgens Ter Wee.

Het onderzoek is in samenwerking met Reade uitgevoerd.

Promovendus: M.M. ter Wee
Titel proefschrift: Rheumatoid Arthritis: Strategies that Work

bron: VUMC

Hardlopen is hot: veel hardlopers oververhit

Oververhitting meestal echter zonder gevaar

Vijftien procent van de deelnemers aan de Zevenheuvelenloop komt oververhit over de finish. Arts/onderzoeker Matthijs Veltmeijer van het Radboudumc ontdekte dat deze oververhitting voor een deel te voorspellen is. Fysieke inspanning is een belangrijke oorzaak voor de hitte, maar ook ‘hardloperskoorts’ speelt een rol. Zolang er geen symptomen zijn, is behandelen van oververhitting niet per se nodig. Matthijs Veltmeijer promoveert op 18 november op zijn onderzoek.

Tijdens het hardlopen stijgt de lichaamstemperatuur. Zodra deze boven de 40 graden uitkomt, spreken we van oververhitting. Hierdoor kunnen problemen ontstaan, zoals warmte-uitputting, flauwvallen, of in het ergste geval een hitteberoerte. Om meer inzicht te krijgen in het risico op oververhitting onderzocht Matthijs Veltmeijer het temperatuurverloop bij 227 hardlopers tijdens de Zevenheuvelenloop. Gemiddeld hadden de lopers voor de wedstrijd een temperatuur van 37,6 graden. Na vijftien kilometer hardlopen was dat gemiddeld 39,2 graden. Vijftien procent van de lopers kwam warmer dan 40 graden over de finish.

Oververhitting voorspellen

De temperatuur van de loper op de finishlijn bleek het beste te voorspellen op basis van de temperatuurstijging tijdens de warming up. Deze voorspelling werd zelfs stukken beter als ook de temperatuurgegevens van eerdere wedstrijden in de berekening werden meegenomen. Een goede voorspelling van de kans op oververhitting biedt lopers de mogelijkheid om voorafgaand, of tijdens een loopwedstrijd rekening te houden met voldoende koeling.

Hardloperskoorts

De lichaamstemperatuur stijgt voornamelijk door de fysieke inspanning. Maar door het hardlopen komen ook ontstekingseiwitten vrij in het bloed die de lichaamsthermostaat mogelijk ook omhoog draaien, net zoals bij koorts tijdens een infectie. Het onderdrukken van deze ‘hardloperskoorts’ leidde er in een kleinschalige studie inderdaad toe dat sporters een lagere lichaamstemperatuur hadden na fysieke inspanning. Matthijs Veltmeijer: ‘Dit laat zien dat verhoging van de thermostaat een rol speelt, al blijft de warmteproductie door het bewegen zelf de belangrijkste oorzaak van oververhitting.’

Probleemloos oververhit

Matthijs Veltmeijer: “Opmerkelijk veel lopers worden te warm. Maar zolang er geen symptomen zijn, is het behandelen van oververhitting niet per se nodig.” Volgens Veltmeijer zijn er een aantal redenen voor het ontbreken van problemen. Zo is de oververhitting tijdens de Zevenheuvelenloop van korte duur. Ook hebben de lopers vanwege het koele herfstweer voldoende mogelijkheden om af te koelen. Dit benadrukt het feit dat hitteberoerte vooral een risico is bij langdurige inspanning bij warm weer. “Op basis van de weersverwachtingen van aankomende zondag verwacht ik geen oververhittingsproblemen bij deelnemers aan de Zevenheuvelenloop.”

(Bron: RadboudUMC)